En toen pasten wij ons aan

 



En toen pasten wij ons aan 

Gisteren zaten we samen met de studenten uit de Mannaz Parentis en Mannaz GO.
Een opa vertelde over zijn twee kleindochters.

De ene koos ervoor om te zijn wie ze is — zichtbaar, uitgesproken, trouw aan zichzelf. Dat bracht haar niet altijd op het makkelijkste pad, maar wel op een eerlijk pad.
De andere koos ervoor om zich aan te passen aan de groep waarin ze zat. Ze voelde haarfijn aan wat verwacht werd, temperde haar eigenheid en werd stiller. Minder zichtbaar. Ze paste. En dat leek te werken.

We hadden het over de gevolgen van die keuzes. Niet alleen op korte termijn, maar op lange termijn. Over succes, erbij horen, en de vraag die onder alles lag: wat kost het om jezelf aan te passen — en wanneer is die prijs te hoog?


Aanpassen is niet één ding

 

Wanneer we spreken over ‘aanpassen’, lijkt het vaak alsof het om één duidelijk, afgelijnd begrip gaat. Een kind past zich aan of niet. In de onderwijscontext wordt aanpassen doorgaans gelijkgesteld aan wenselijk gedrag: meedoen, luisteren, instructies volgen, functioneren binnen het klasgebeuren. Wie zich aanpast, leert. Wie dat niet doet, loopt risico.

Maar vanuit een neurobiologisch en psychologisch perspectief is aanpassen allesbehalve eenduidig. Met behulp van de polyvagaaltheorie kunnen we dit begrip verfijnen. Die theorie leert ons dat gedrag altijd voortkomt uit een onderliggende staat van het zenuwstelsel. En precies daar wordt een cruciaal onderscheid zichtbaar: niet elk aangepast gedrag komt voort uit veiligheid.
 

We kunnen grofweg drie vormen onderscheiden.

1. Aanpassen vanuit veiligheid
In deze situatie bevindt het kind zich in een ventraal-vagale staat. Het voelt zich veilig, verbonden en gezien. Het kind past zich aan omdat het dat wil, niet omdat het moet. Het kan zichzelf blijven terwijl het participeert in de groep. Er is ruimte voor nieuwsgierigheid, voor vragen, voor eigen accenten.

Het gevolg is een gezonde combinatie: goede leerprestaties én een intact welbevinden. Leren kost energie, maar levert ook energie op. Het kind groeit.

2. Aanpassen vanuit onveiligheid – fawning
Hier wordt het spannender, en voor hoogbegaafde en hooggevoelige kinderen ook herkenbaarder. Het kind past zich aan om spanning te vermijden: afwijzing, conflict, straf of verlies van verbinding. Het zenuwstelsel staat in een sympathische staat van fight/flight, maar met een sociaal wenselijk masker. Het kind is vriendelijk, behulpzaam, meegaand. Het pleast.

Van buitenaf oogt dit als voorbeeldig gedrag. In werkelijkheid draait het systeem op waakstand. Er is geen echte keuzevrijheid, alleen een impliciete boodschap: ik mag er zijn zolang ik me aanpas.
Het resultaat is vaak indrukwekkend: uitstekende leerprestaties, perfecte rapporten, weinig problemen in de klas. Maar de prijs is hoog. Het kind levert stukje bij beetje zijn authenticiteit in. Het leert functioneren, maar niet voelen waar het zelf staat.

3. Afhaken vanuit diepe onveiligheid – freeze
Wanneer aanpassen niet (meer) lukt en vechten of vluchten geen optie lijkt, kan het zenuwstelsel overschakelen naar een dorsaal-vagale staat. Het kind bevriest. Het trekt zich terug, haakt af, lijkt ongeïnteresseerd of apathisch.

Hier zien we vaak zowel zwakke leerprestaties als een ernstig aangetast welbevinden. Deze groep valt wél op in observaties en zorgtrajecten.

 
 

Wat meten we - en wat missen we?

Het observatie-instrument dat scholen gebruiken om schools succes te voorspellen, doet in wezen wat het moet doen. Het detecteert kinderen met zichtbaar probleemgedrag en kinderen die afhaken. Dat zijn groepen waarbij leren onder druk staat en ondersteuning noodzakelijk is.

Maar er is een fundamentele blinde vlek.

De kinderen uit de tweede groep — de fawners — blijven vrijwel altijd buiten beeld. Sterker nog: zij worden vaak expliciet beloond. Ze zijn rustig, beleefd, meegaand. Ze verstoren de klas niet. Ze leveren wat gevraagd wordt. Op papier zijn het succesverhalen.

Neurologisch staan ze echter vaak onder constante spanning.

Bij hoogbegaafde en hooggevoelige kinderen zien we dit patroon opvallend vaak. Zij beschikken over een groot aanpassingsvermogen, een sterk empathisch vermogen en een scherpe antenne voor verwachtingen. Ze voelen feilloos aan wat de omgeving van hen verlangt en zijn bijzonder vaardig in het afstemmen van hun gedrag daarop. Niet omdat het klopt, maar omdat het veilig lijkt.

 

Succes versus welzijn

En hier schuurt het fundamenteel.
Scholen willen succesvolle leerlingen — dat is begrijpelijk. Maar vrijwel elke school zegt ook het welbevinden van kinderen belangrijk te vinden.

Wanneer we uitsluitend gedrag meten, meten we uitkomst, geen innerlijke drijfveer. We zien dat een kind functioneert, maar niet waarom. Aanpassen wordt automatisch gelijkgesteld aan ‘goed’, terwijl het onderscheid tussen aanpassen vanuit veiligheid en aanpassen vanuit angst onzichtbaar blijft.

Dat is problematisch. Want wie kinderen structureel beloont voor zelfverloochening, creëert ogenschijnlijk succesvolle leerlingen, maar legt tegelijk de basis voor latere problemen. De rekening wordt vaak pas jaren later gepresenteerd: burn-out, perfectionisme, angststoornissen, identiteitsverwarring.

De kernvraag is dus niet: past dit kind zich aan?
Maar: vanuit welke innerlijke staat gebeurt dit?

Zolang die vraag ontbreekt, blijven precies die kinderen onzichtbaar die het ogenschijnlijk ‘het beste doen’, maar ondertussen het meest van zichzelf verliezen.

 

Tips voor ouders (en grootouders)

Kijk niet alleen naar prestaties, maar ook naar energie.
Goede punten en positieve feedback zeggen niet alles. Observeer vooral hoe je kind thuiskomt: is er nog ruimte voor spontaniteit, spel, praten? Of zie je vooral vermoeidheid, prikkelbaarheid of emotionele leegloop? Energieverlies kan een signaal zijn dat leren gebeurt ten koste van innerlijke veiligheid.

Wees alert op overdreven braafheid en conflictvermijding.
Een kind dat nooit ‘lastig’ is, altijd meebeweegt en zichzelf wegcijfert, lijkt gemakkelijk in de omgang. Maar extreme meegaandheid kan ook wijzen op angst om af te wijken of afgewezen te worden. Zeker bij hoogbegaafde en hooggevoelige kinderen is dit een vaak onderschat alarmsignaal.

Maak expliciet dat liefde en verbondenheid onvoorwaardelijk zijn.
Benoem, ook in rustige momenten, dat je kind niet hoeft te voldoen, presteren of zich aanpassen om erbij te horen. Dat het geliefd is om wie het is, niet om wat het doet. Die boodschap werkt preventief tegen zelfverloochening.

Geef taal aan innerlijke beleving, niet alleen aan gedrag.
Vraag niet alleen wat er gebeurde op school, maar ook hoe het voelde. Help woorden vinden voor spanning, twijfel, enthousiasme of ongemak. Zo leert een kind zichzelf van binnenuit begrijpen in plaats van zich enkel te sturen op verwachtingen van buitenaf.

Normaliseer verschil en eigenheid — ook wanneer die wringt.
Niet elk kind past vanzelf in de groep, en dat hoeft ook niet. Benoem dat anders zijn soms frictie geeft, maar niet fout is. Verschil verdragen — bij jezelf én bij anderen — is een belangrijke levensvaardigheid.

Help je kind onderzoeken waar een ‘ja’ vandaan komt.
Niet elk ja is hetzelfde. Soms komt het uit echte keuze en betrokkenheid, soms uit angst om teleur te stellen. Door dit onderscheid voelbaar te maken, help je je kind om signalen van zijn eigen lichaam serieus te nemen.

Zoek binnen school bondgenoten die ook naar welbevinden kijken.
Dat kunnen leerkrachten, zorgcoördinatoren of begeleiders zijn die verder kijken dan cijfers en gedrag. Een gedeelde taal rond veiligheid en welzijn maakt een wereld van verschil.

Wees mild: aanpassen was ooit een slimme strategie.
Veel kinderen hebben leren aanpassen om zich te beschermen. Dat verdient erkenning, geen correctie. Van daaruit kan langzaam onderzocht worden of die strategie nog nodig is.

En misschien wel de belangrijkste: leef zelf voor hoe je zichtbaar kan zijn, mét verbinding.
Kinderen leren niet vooral van wat we zeggen, maar van hoe we zijn. Door zelf ruimte in te nemen zonder de verbinding te verliezen, geef je een krachtig, belichaamd voorbeeld.

Bij Mannaz blijven we deze vragen stellen. Niet omdat we tegen leren zijn — integendeel.
Maar omdat leren zonder veiligheid nooit duurzaam is.

 

Reacties

Populaire posts