|
Deze
week mocht ik er zelf nog een keer getuige van zijn. Een moeder kwam
samen met haar vijftienjarige dochter voor een intakegesprek. De dochter
had het moeilijk op school. Ze ging meer niet dan wel, was lastig te
motiveren, gedroeg zich thuis opstandig en maakte regelmatig ruzie met
haar broer en zus. Mama vertelde. Het ene kwam na het andere en hoe
langer de lijst werd die ze bovenhaalde, hoe kleiner haar dochter leek
te worden.
Ik
zag haar gewoon bijna onder de tafel verdwijnen. Haar blik ging naar
beneden, haar schouders zakten en ze trok zich steeds verder terug. De
schaamte was bijna voelbaar. Ze zei niets meer en keek nauwelijks nog
op. Tot haar mama zich naar haar draaide en zei: “Awel, zeg jij nu eens
iets.”
|
|
|
Er kwam niets.
Niet
omdat ze niets te zeggen had. Niet omdat het haar allemaal niet
interesseerde. En ook niet omdat ze koppig weigerde om mee te werken aan
het gesprek. Op dat moment kon ze gewoon niet meer. Er was al zoveel
gezegd, zoveel benoemd, zoveel wat over haar ging en wat zij ondertussen
allemaal moest horen, voelen en verwerken. Haar systeem had de grens
bereikt en ze klapte dicht.
We
zien het bij Mannaz regelmatig gebeuren. Een kind of jongere die op het
ene moment nog praat, discussieert of grapjes maakt en even later
nauwelijks nog een woord uitbrengt. Voor de buitenwereld is dat soms
moeilijk te begrijpen. Want als je daarnet nog kon praten, waarom zou je
het vijf minuten later dan plots niet meer kunnen?
Het antwoord ligt vaak niet bij onwil, maar bij overbelasting.
|
|
Als je brein niet meer kan blijven verwerken
|
|
|
|
Overwhelm
wordt soms nogal eenvoudig vertaald als “het is me even te veel”. Maar
bij autistische overbelasting gaat het over iets fundamentelers. Er komt
op een bepaald moment meer informatie binnen dan iemand nog kan
verwerken en reguleren. Dat hoeft bovendien helemaal niet alleen over
prikkels zoals licht, geluid, geuren of drukte te gaan. Ook sociale
informatie, emoties, onverwachte gebeurtenissen, conflicten, veel taal
en de voortdurende noodzaak om te luisteren, te interpreteren en te
reageren kunnen zich opstapelen.
Onderzoek
naar de ervaringen van autistische volwassenen laat precies dat zien.
Mensen die meltdowns ervaren, beschrijven niet alleen sensorische
overbelasting, maar ook een teveel aan informatie, sociale belasting en
emotionele stress. Wanneer de overbelasting verder toeneemt, worden ook
denken, herinneren en communiceren moeilijker. Het gaat dus niet
eenvoudigweg om iemand die “heel emotioneel” wordt. De beschikbare
verwerkingscapaciteit raakt uitgeput.
Dat is belangrijk om te begrijpen, omdat wij meestal alleen dat laatste moment zien.
De jongere die plots niets meer zegt. Het kind dat wegkijkt en totaal
niet meer reageert. De tiener die zich terugtrekt en op geen enkele
vraag nog antwoord lijkt te kunnen geven. Het kind dat naar zijn kamer
vlucht en de deur dichtgooit. Maar aan dat moment is vaak al heel veel
voorafgegaan. Een drukke schooldag, lawaai, sociale verwachtingen,
voortdurend schakelen, frustraties, honger of vermoeidheid, een
onverwachte verandering, een conflict, veel vragen of gewoon urenlang
proberen te functioneren in een omgeving die ontzettend veel vraagt.
En dan komt er nog één ding bij.
Voor
iemand anders lijkt dat misschien iets kleins. Voor het brein dat al
uren aan het verwerken en compenseren is, kan dit het punt zijn waarop
er gewoon niets meer bij kan.
Dat
zag ik tijdens dat intakegesprek ook gebeuren. Er kwam geen grote
zichtbare uitbarsting. Er was geen geroep en er waren geen tranen.
Integendeel. Hoe meer informatie er kwam, hoe stiller het meisje werd.
Haar overbelasting ging niet naar buiten. Ze verdween naar binnen.
|
|
Een meltdown gaat naar buiten,
een shutdown gaat naar binnen
|
|
|
|
Het woord meltdown
kennen veel ouders ondertussen wel. Een kind schreeuwt, huilt, loopt
weg, gooit iets op de grond of raakt volledig overstuur. Er gebeurt
zichtbaar iets en daardoor herkennen we gemakkelijker dat het kind op
dat moment niet meer gewoon rustig kan nadenken en reageren.
Maar overbelasting kan zich ook heel anders uiten.
Bij een shutdown
trekt iemand zich als het ware terug. Onderzoek waarin autistische
volwassenen zelf beschrijven hoe zo’n shutdown voelt, geeft daar een
indringend beeld van. Ze spreken over bevriezen, naar binnen verdwijnen,
een computer die vastloopt of in een soort overlevingsmodus
terechtkomen. Sommigen kunnen tijdelijk nauwelijks spreken, bewegen of
reageren, terwijl ze zich wel degelijk bewust blijven van wat er rondom
hen gebeurt.
Dat is een wezenlijk verschil met bewust zwijgen.
Een kind dat in shutdown gaat, denkt niet: Nu zal ik eens lekker niets zeggen.
Het kan letterlijk niet meer lukken om een antwoord te formuleren en
uit te spreken. De vraag komt misschien nog wel binnen, maar tussen
horen, verwerken, woorden zoeken en die woorden ook daadwerkelijk
uitspreken zit plots een afstand die niet meer overbrugd geraakt.
Precies
daarom kunnen shutdowns zo gemakkelijk verkeerd geïnterpreteerd worden.
Van buitenaf kan het eruitzien als koppigheid, ongeïnteresseerdheid,
onbeleefdheid, passiviteit of zelfs manipulatief gedrag. En wanneer wij
het zo interpreteren, is onze natuurlijke reactie vaak om méér te gaan
doen. We stellen opnieuw de vraag. We leggen nog eens uit waarom
antwoorden belangrijk is. We vragen wat er scheelt. We proberen iemand
aan het praten te krijgen.
“Awel, zeg jij nu eens iets.”
Een
heel begrijpelijke reactie van een moeder die haar dochter wil
betrekken bij een gesprek dat tenslotte over haar gaat. Alleen vraagt
die ene zin op zo’n moment opnieuw precies datgene wat het brein niet
meer voor elkaar krijgt: luisteren, verwerken, formuleren én reageren.
Een
meltdown en een shutdown kunnen er dus aan de buitenkant totaal
verschillend uitzien, terwijl aan de basis hetzelfde kan spelen: een
systeem dat zijn verwerkingsgrens heeft bereikt. De ene jongere wordt
luid, de andere wordt stil. De ene vlucht letterlijk weg, de andere
lijkt bijna te verdwijnen terwijl hij gewoon op zijn stoel blijft
zitten.
|
|
Hoogbegaafd én autistisch
|
|
|
|
Bij
hoogbegaafde kinderen en jongeren met autisme komt daar nog een
bijzondere complexiteit bij. We moeten daar wetenschappelijk voorzichtig
mee omgaan. Er bestaat onderzoek naar kinderen en jongeren die zowel
hoogbegaafd als autistisch zijn, vaak aangeduid als twice exceptional,
maar die groep is nog relatief weinig onderzocht. We kunnen dus niet
zomaar stellen dat iedere hoogbegaafde autistische jongere prikkels
intenser verwerkt of sneller in shutdown of meltdown gaat.
Wat we wél weten, is dat grote cognitieve mogelijkheden autistische kwetsbaarheden niet opheffen.
Een jongere kan bijzonder sterk zijn in taal, analyse, geheugen of het
leggen van complexe verbanden en tegelijkertijd grote moeilijkheden
ervaren wanneer sensorische, sociale en emotionele belasting zich
opstapelt. Onderzoek naar twice-exceptional kinderen en jongeren laat
precies die combinatie zien: uitgesproken cognitieve sterktes kunnen
naast heel reële ondersteuningsnoden bestaan.
En
misschien is dat wel een van de redenen waarom overwhelm bij
hoogbegaafde jongeren soms zo moeilijk herkend wordt. We zien immers wat
ze allemaal kunnen. We horen hoe volwassen ze soms praten. We merken
hoe scherp ze redeneren en hoe snel ze verbanden leggen. Daardoor
verwachten we gemakkelijk dat ze zichzelf ook kunnen uitleggen wanneer
het moeilijk wordt.
Maar intelligentie beschermt je niet tegen overbelasting.
Dat
iemand een uur geleden nog een ingewikkelde discussie kon voeren,
betekent niet dat diezelfde persoon nu nog voldoende ruimte heeft om op
de eenvoudige vraag “Wat is er?” te antwoorden. Dat iemand perfect kan
analyseren wat er gisteren gebeurde, betekent niet dat die analyse
beschikbaar is terwijl het systeem overspoeld raakt. En een jongere die
heel goed kan praten, kan tijdens een shutdown tijdelijk geen toegang
meer hebben tot die woorden.
Dat
is geen tegenstelling. Dat is precies waarom we verder moeten kijken
dan wat een kind of jongere cognitief aankan. De vraag is niet alleen: Kan hij dit begrijpen?
We moeten ons ook afvragen: Kan hij dit op dit moment nog verwerken?
|
|
|
Wanneer
een kind of jongere dichtklapt, is onze eerste reflex vaak om het
contact te proberen herstellen. We willen weten wat er is, willen
misverstanden oplossen en willen vooral helpen. Alleen doen we dat
meestal met het middel dat op dat moment juist extra belastend kan zijn:
woorden.
We
stellen vragen, geven uitleg, proberen te overtuigen of vragen toch
minstens om een reactie. Maar iedere nieuwe zin is opnieuw informatie
die verwerkt moet worden. Iedere vraag vraagt om een antwoord dat eerst
gevonden, geformuleerd en uitgesproken moet worden. Wanneer het systeem
al overbelast is, kan zelfs een goedbedoelde vraag dus opnieuw iets
toevoegen aan wat al te veel was.
Wat
dan vaak meer helpt, is de belasting verlagen. Minder praten, minder
vragen stellen en niet onmiddellijk een antwoord verwachten. Rust geven
en toestaan dat iemand even niets hoeft uit te leggen. Niet omdat
moeilijke dingen nooit besproken moeten worden, maar omdat het moment
waarop iemand volledig overspoeld is, meestal niet het moment is waarop
een goed gesprek mogelijk is.
Dat
geldt zowel bij shutdown als bij meltdown. Onderzoek naar de ervaringen
van autistische volwassenen laat zien dat meltdowns kunnen samengaan
met intense angst, verdriet of boosheid en met een tijdelijk verminderde
toegang tot logisch denken en geheugen. Wat wij aan de buitenkant zien,
vertelt dus maar een klein deel van wat er vanbinnen gebeurt.
Daarom helpt het ook om niet alleen te kijken naar het gedrag op het moment zelf, maar naar wat eraan voorafging.
- Hoe was de dag?
- Hoeveel sociale contacten waren er?
- Hoeveel geluid, verandering, verwachtingen en inspanning waren er al?
- Heeft het kind gegeten?
- Is het moe?
- Heeft het al uren geprobeerd zich aan te passen?
- Welke emoties spelen mee?
Soms
lijkt een reactie buiten proportie wanneer we alleen naar de laatste
vijf minuten kijken. Wanneer we naar de uren ervoor kijken, wordt ze
ineens veel begrijpelijker.
En
misschien is dat uiteindelijk wat die vijftienjarige mij deze week
opnieuw liet zien. Wanneer een jongere stilvalt, moeten we niet altijd
onmiddellijk proberen die stilte te vullen. Soms zit er achter dat
zwijgen geen onwil, geen koppigheid en geen gebrek aan motivatie. Soms
zit daar een brein dat al veel te lang ontzettend hard gewerkt heeft en
nu gewoon niet meer kan.
Als
ouder, leerkracht of begeleider hoeven we op zo’n moment niet méér te
doen. We mogen juist minder doen. De druk wegnemen, de hoeveelheid
woorden verminderen en laten voelen dat een antwoord niet onmiddellijk
hoeft te komen. Het gesprek kan later verdergaan, wanneer er opnieuw
ruimte is om te luisteren, te denken en woorden te vinden.
Want soms is stilte geen weigering om contact te maken. Soms is stilte het enige wat op dat moment nog lukt.
|
|
| |
Reacties
Een reactie posten