Wat een blauw balkje vertelt

Wat een blauw balkje vertelt

Wie ooit in de Mannaz Academy geweest is, kent onze platte rust. Na de middag gaat het tempo er even helemaal uit en tijdens dat uur lees ik voor. Een volledig uur, elke dag.

Het is een moment waar ik zelf minstens even hard naar uitkijk als de kinderen. We hebben samen al heel wat boeken verslonden en soms moet ik mezelf echt dwingen om op tijd te stoppen, omdat ik zelf ook wil weten hoe het verdergaat.

En het grappige is dat niet alleen mijn Primaria-kinderen daarvan genieten. Mijn grote kinderen hebben tijdens de platte rust uiteraard altijd nét iets nodig in onze kamer. Ze komen binnen, blijven even staan, gaan ergens zitten en voor je het weet zitten ze gewoon mee te luisteren. Alsof dat helemaal niet de bedoeling was.

Deze week las ik op Facebook een tekst van Nadia Le Jeune die me ontzettend raakte. Ik zat hier werkelijk tranen met tuiten te huilen. Misschien juist omdat ik zo goed herken wat zij beschrijft: dat voorlezen helemaal niet alleen gaat over iemand die de woorden uit een boek hardop uitspreekt.

Ik deel haar tekst graag met jullie.

WAT EEN BLAUW BALKJE VERTELT

Door Nadia Le Jeune

Vandaag zat ik in een derde leerjaar. Na de ochtendspeeltijd en een rekenlesje was het tijd voor een luisterverhaal. De kinderen kregen hun verhalenboek en hun werkboek taal uitgedeeld.

Heerlijk! Een écht verhalenboek. Met een harde kaft. Zo eentje waarvan je denkt: Wat zou hierin staan? Ik wil het weten.

Zonder veel poespas mochten de leerlingen het boek openen op bladzijde 5. Het digibord werd aangezet. Een blanco scherm, met daaronder een blauwe tijdsbalk, was zichtbaar. Er klonk een mannenstem door de boxen.

Voor ik de titel goed en wel had gehoord, zat de stem al aan regel 10. Ik moest mijn omzittend publiek tonen waar we zaten. Maar tegen de tijd dat ik bij het vijfde kind was, zat de stem al aan regel 23. Een paar kinderen probeerden me nog te troosten: “Het blauwe balkje is bijna weg, juf. Dan is het gedaan."

De leerkracht gaf geen berisping. Die had op dat moment waarschijnlijk een belangrijk berichtje op haar gsm.

Toen het verhaal klaar was, mochten de kinderen elk één zin lezen. Ook daar ontstond weer een heen-en-weergeloop van mijn kant, want een aantal kinderen wist niet wat precies een zin was. Gelukkig sprong de taal juf even bij: “Een zin eindigt met een punt” zei ze rustig.

Intussen werd iemand in het publiek boos. Hij schopte tegen zijn bank en riep: "Stomme rotschool!" Het was zijn beurt om te lezen, hij was zijn weg kwijtgeraakt in het verhaal van de winkeldief.

Sorry, aandachtige lezer. Ik heb het verhaal zelf ook niet zo goed kunnen volgen. Ik was te druk bezig met mijn publiek.

Drie kinderen hadden honger.

Vijf moesten dringend naar het toilet.

Twee waren hun naamkaartje aan het voltekenen.

En dan was er nog die ene jongen die de school stom vond.

Op een rustig moment boog ik me naar hem toe en fluisterde: "Je hebt gelijk. School is soms stom.” Hij keek me aan alsof ik zojuist iets heel bijzonders had gezegd. We lazen daarna samen de regel. We besloten vrienden te worden. Want als je nog een heel schooljaar op een stomme school moet zitten, kun je maar beter één vriend meer hebben dan minder.

Deze gebeurtenis houdt me sindsdien bezig. Waarom leest de leerkracht het verhaal niet gewoon zelf voor? Niet omdat een computer dat niet kan. Natuurlijk kan een computer een verhaal voorlezen. Maar kan een computer niet even wachten wanneer een kind nog aan het zoeken is. Kan hij zien wie afhaakt? Kan hij vertragen omdat de kinderen het niet begrijpen? Kan hij een stemmetje opzetten bij een spannend stukje?

Een wenkbrauw optrekken?

Een stilte laten vallen?

Een vraag stellen?

Een kind aankijken? Lachen?

Spanning opbouwen?

Deze klas bestaat voor meer dan de helft uit anderstalige kinderen. Zij hebben nood aan duidelijke, rustige taal. Aan: herhaling, mimiek, oogcontact, interactie.

Niet aan een blauw balkje dat genadeloos verder loopt terwijl een deel van de klas nog probeert te begrijpen waar het verhaal eigenlijk over gaat.

Toen dacht ik aan het tweede leerjaar van vorig jaar. Een aantal van deze kinderen kwam vorig jaar uit een klas waarin de juf, verspreid over verschillende weken, een heel boek voorlas: Meester Kikker.

Geen werkboek.

Geen vragenlijst.

Geen digitaal stemmetje.

Gewoon de juf, het boek en de kinderen.

Ze zaten gezellig rond haar. Niemand bewoog. Iedereen luisterde. Zelfs ik, die op dat moment materiaal aan het aanpassen was voor enkele kinderen. Toegegeven, soms stopte ik ook even met materiaal aan te passen, omdat ik de stilte niet wou storen. Want de spanning was door de hele klas voelbaar.

Niemand moest naar het toilet.

Niemand had honger.

Niemand was met zijn naamkaartje bezig.

En ja, sommigen vonden het stom wanneer het verhaaltje gedaan was. Ze wilden méér. De juf moest op de kalender aanduiden wanneer het vervolg van Meester Kikker kwam. Toen het boek na enkele weken uit was, werd het bijna oorlog in de klasbibliotheek. Wie mocht het boek als eerste lezen? Wie als tweede? Gelukkig had de juf een paar extra exemplaren voorzien.

Bij dat verhaal hoorde geen werkboek. Geen toets. Geen reeks begrijpend-lezenvragen. Dat was ook helemaal niet nodig. Want toen ik later over de speelplaats naar het vijfde leerjaar liep, hoorde ik enkele kinderen roepen: “O neen! Kijk, onze meester! “Ze waren het verhaal van Meester Kikker aan het naspelen, met veel plezier. Misschien is dát wel de mooiste evaluatie van een luisterverhaal.

Spontaan denk ik ook terug aan mijn eigen kindertijd, in het derde leerjaar bij mevrouw JL. Zij las ons het verhaal van Mozes voor, in delen, verspreid over verschillende dagen. Wij hingen als negenjarigen aan haar lippen. Ik ben er nog altijd van overtuigd dat er nooit een mooiere film van Mozes is gemaakt dan het verhaal dat mevrouw JL ons in 1977 vertelde. Want in mijn hoofd zag ik alles: de woestijn, de zee, de mensen, de spanning, de dieren

Tja, toen spraken de dieren nog... Voor mij doen ze dat nog steeds. Ik ben alleen bang dat sommige kinderen vandaag de dieren nog enkel horen praten via een computerspelletje. Misschien is dat wel precies waar we voor moeten opletten.

Een computer kan een verhaal vertellen.

Een leerkracht kan ervoor zorgen dat een kind het verhaal beleeft.

Dat verschil is groter dan een blauw balkje op een digibord.

Voorlezen is veel meer dan woorden hardop lezen

De tekst van Nadia bleef bij mij hangen. Niet omdat ik vind dat we computers, luisterboeken of digitale hulpmiddelen uit het leven van kinderen moeten bannen. Daar gaat het voor mij helemaal niet over. Een luisterboek kan fantastisch zijn en ook onze kinderen bij Mannaz gebruiken technologie. Maar voorlezen door een mens is iets anders.

Onderzoekers Zoe Flack, Andy Field en Jessica Horst brachten 38 onderzoeken met in totaal 2.455 kinderen samen en stelden vast dat kinderen tijdens het voorlezen daadwerkelijk nieuwe woorden leren. Vooral herhaling en de interactie rond het verhaal bleken daarbij belangrijk.

En precies die interactie vind ik zo interessant wanneer we naar hoogbegaafde kinderen kijken.

Wie regelmatig met hoogbegaafde kinderen werkt, weet dat een verhaal zelden gewoon van bladzijde één naar bladzijde twee gaat. Eén zin kan genoeg zijn om een hele gedachtegang op gang te brengen. Ze leggen verbanden met iets wat honderd bladzijden eerder gebeurde, willen weten waarom een personage een bepaalde beslissing neemt, merken een tegenstrijdigheid op of beginnen plots over iets wat op het eerste gezicht totaal niets met het verhaal te maken heeft. Tot je hun gedachtegang volgt en ontdekt dat er wel degelijk een verband is.

Dat kan lastig zijn wanneer je vooral het hoofdstuk uit wilt krijgen. Maar eigenlijk gebeurt er op zo'n moment iets prachtigs. Het kind is niet afgehaakt. Het is juist volop aan het denken.

En dat blauwe balkje? Dat leest gewoon verder.

Een verhaal dat groot genoeg is voor hun hoofd

Er is nog een reden waarom ik voorlezen bij hoogbegaafde kinderen zo waardevol vind.

Hun technische leesvaardigheid en hun intellectuele behoefte hoeven helemaal niet gelijk te lopen. Een jong kind kan al gefascineerd zijn door complexe verhalen, grote levensvragen, geschiedenis, mythologie, wetenschap of morele dilemma's, terwijl het technisch nog helemaal niet in staat is om boeken op dat inhoudelijke niveau zelfstandig te lezen.

Dat verschil past binnen wat psycholoog Linda Silverman beschrijft als de asynchrone ontwikkeling die bij hoogbegaafdheid kan voorkomen: verschillende aspecten van de ontwikkeling lopen niet noodzakelijk in hetzelfde tempo.

Wanneer we alleen boeken aanbieden die een kind technisch zelf kan lezen, bestaat dus het risico dat we de inhoud aanpassen aan zijn leesniveau in plaats van aan zijn denkvermogen.

Voorlezen kan die kloof overbruggen. Een kind hoeft het boek niet zelf technisch te kunnen ontcijferen om een ingewikkelde verhaallijn te begrijpen. Het kan luisteren naar taal die veel rijker is dan wat het zelf al vlot kan lezen. Het kan kennismaken met andere tijden, andere werelden en andere ideeën. En ondertussen is er een volwassene naast hem bij wie het onmiddellijk terechtkan wanneer er een vraag ontstaat.

Misschien verklaart dat ook een beetje waarom mijn “grote” kinderen bij Mannaz tijdens de platte rust zo vaak toevallig iets uit onze kamer nodig hadden.

Ze konden natuurlijk al lang zelf lezen. Maar dat betekent nog niet dat voorgelezen worden niets meer te bieden heeft.

Taal ontstaat tussen mensen

Onderzoek van Nicholas Dowdall en zijn collega's laat zien dat samen boeken lezen een positief effect heeft op de taalontwikkeling van kinderen. Kinderen begrijpen meer taal en gaan die taal ook zelf meer gebruiken. Maar er kwam nog iets interessants uit hun onderzoek: ook ouders werden beter in het samen lezen met hun kind.

Dat laatste vind ik minstens even belangrijk.

Want blijkbaar kunnen ook wij leren om beter voor te lezen. Niet mooier of professioneler – je hoeft echt geen acteeropleiding te volgen voordat je een boek mag openmaken – maar wel aandachtiger.

Een kind dat tijdens het lezen plotseling zegt: “Mijn opa doet dat ook”, is niet noodzakelijk afgeleid. Het legt een verband tussen het verhaal en zijn eigen leven. Een kind dat vraagt waarom iemand verdrietig is, probeert te begrijpen wat er in het hoofd van een ander gebeurt. En een kind dat na drie hoofdstukken roept dat het al weet hoe het verhaal zal aflopen, gebruikt wat het eerder gehoord heeft om een voorspelling te maken.

Bij hoogbegaafde kinderen kunnen zulke gesprekken behoorlijk ver gaan. Een ogenschijnlijk eenvoudig verhaal kan uitmonden in een gesprek over eerlijkheid, dood, oorlog, vriendschap, goed en kwaad of waarom volwassenen soms dingen doen waarvan ze zelf zeggen dat ze niet mogen.

Dat zijn geen vervelende onderbrekingen van het voorlezen. Dat is samen lezen.

En precies daarin zit iets wat een opgenomen stem niet kan. Jij kunt reageren op wat je kind zegt. Je kunt vragen hoe het tot die gedachte komt. Je kunt samen verder denken. En je kunt ook zeggen dat je het antwoord niet weet.

Voor een kind dat voortdurend probeert de wereld te begrijpen, kan zo'n boek daarmee veel meer worden dan een verhaal.

Wanneer een verhaal ook echt binnenkomt

En dan is er nog iets wat ik bij onze kinderen vaak zie: verhalen kunnen ongelooflijk hard binnenkomen.

Niet ieder hoogbegaafd kind is hooggevoelig en niet ieder hooggevoelig kind is hoogbegaafd. Die twee begrippen mogen we niet zomaar op één hoop gooien. Maar we zien bij een deel van onze kinderen wel een grote gevoeligheid en intensiteit in de manier waarop ze informatie, emoties en onrecht ervaren.

Een gebeurtenis waar een ander kind zonder veel problemen overheen leest, kan bij hen nog uren of dagen blijven hangen. Ze kunnen diep geraakt worden door wat een personage overkomt, kwaad worden over onrecht of zich zorgen maken over iets wat in het verhaal slechts zijdelings genoemd wordt.

Psycholoog Elaine Aron, die onderzoek deed naar sensory processing sensitivity, beschrijft onder andere een diepgaande verwerking van informatie en een sterke emotionele responsiviteit bij mensen die hoog scoren op deze eigenschap.

Ook daar maakt de aanwezigheid van een echte voorlezer verschil.

Je ziet dat gezicht. Je merkt dat een kind stiller wordt. Je hoort die ene vraag waarvan je onmiddellijk weet dat het verhaal veel meer heeft losgemaakt dan er letterlijk op de bladzijde staat.

Dan kun je even stoppen. Je kunt luisteren. Je kunt iets verduidelijken of samen zoeken naar wat het kind precies raakt. En soms hoef je helemaal niets op te lossen en is het voldoende dat het kind niet alleen achterblijft met wat het net gehoord heeft.

Een blauw balkje ziet dat niet.

En toch wil ik hier ook een belangrijke kanttekening bij maken. Zodra onderzoek aantoont dat iets goed is voor kinderen, hebben wij volwassenen nogal eens de neiging om er onmiddellijk een educatief programma van te maken. Voorlezen bevordert de woordenschat? Dan selecteren we vooraf tien moeilijke woorden. Voorlezen stimuleert het tekstbegrip? Dan maken we achteraf vijf vragen. En als verhalen ook nog kansen bieden om over gevoelens en morele vraagstukken te praten, kunnen we daar vast nog een leerdoel aan koppelen.

En voor je het weet, hebben we dat heerlijke boek opnieuw veranderd in schoolwerk.

Zeker voor hoogbegaafde kinderen, die op school al vaak ervaren dat ze moeten aantonen dat ze iets begrepen hebben wat ze al lang begrepen hadden, zou ik daar voorzichtig mee zijn.

Een kind mag ook gewoon genieten.

Het kind in Nadia's verhaal is opgelucht omdat het blauwe balkje bijna weg is. De kinderen die naar Meester Kikker luisteren, willen weten wanneer de juf verdergaat. Wanneer het boek uit is, willen ze het zelf lezen en spelen ze het verhaal later na op de speelplaats.

Dat verschil kun je moeilijk in een werkboek meten.

Maar iedereen die ooit een kind heeft gezien dat volledig verdwijnt in een verhaal, weet dat er op dat moment heel veel gebeurt.

En misschien moeten we dat af en toe gewoon laten gebeuren.

Wat kun je thuis doen?

1. Kies niet alleen op leesniveau. Kijk ook naar waar je kind inhoudelijk mee bezig is. Een boek dat zelfstandig nog te moeilijk is, kan juist een fantastisch voorleesboek zijn.

2. Blijf voorlezen als je kind zelf kan lezen. Ook een hoogbegaafd kind dat al vroeg uitstekend leest, kan nog jarenlang genieten van samen een boek beleven.

3. Laat de zijwegen toe. Begint je kind halverwege een bladzijde over iets anders? Vraag eens hoe het daar terechtkwam. De kans bestaat dat er een hele gedachtegang achter zit die jij nog niet gezien had.

4. Ga mee in de grote vragen. Als een verhaal plots een gesprek oproept over dood, onrecht, oorlog, vriendschap of goed en kwaad, hoef je niet snel terug naar het boek. Dat gesprek mag er zijn.

5. Durf te zeggen dat je iets niet weet. Zeker hoogbegaafde kinderen kunnen vragen stellen waarop je werkelijk geen antwoord hebt. Samen nadenken of het later opzoeken is veel waardevoller dan snel een antwoord verzinnen.

6. Kijk naar je kind. Merk je dat een verhaal hard binnenkomt, stop dan even. Geef ruimte. Soms komt de vraag vanzelf.

7. Maak er geen begrijpend-lezentoets van. Je hoeft na een hoofdstuk niet te controleren of je kind alles heeft onthouden. Een spontaan gesprek is iets heel anders dan een overhoring.

8. Laat je kind mee kiezen. Een boek hoeft niet educatief, verantwoord of “geschikt voor hoogbegaafden” te zijn. Als je kind erdoor gegrepen wordt, is dat reden genoeg.

9. Lees datzelfde boek gerust nog een keer. Ook kinderen die razendsnel denken en voortdurend nieuwe informatie zoeken, kunnen enorm genieten van een verhaal dat ze al kennen.

Want uiteindelijk hoeft voorlezen niet ingewikkeld te zijn. Een boek, een kind en iemand die echt aanwezig is.

Zonder blauw balkje dat bepaalt wanneer het tijd is om verder te gaan.


Reacties

Populaire posts