|
Wie vandaag als kind opvalt door een uitzonderlijk snelle manier van denken, een grote leerhonger of een opvallend sterk redeneervermogen, heeft tenminste een kans dat iemand aan hoogbegaafdheid denkt.
Voor wie vijftig, zestig of zeventig jaar geleden opgroeide, lag dat anders.
Hoogbegaafdheid werd toen bijna uitsluitend gekoppeld aan uitzonderlijke schoolprestaties. Wie zich verveelde, voortdurend vragen stelde of onderpresteerde, bleef daardoor gemakkelijk onder de radar en werd eerder als ‘lastig’ beschouwd dan als mogelijk hoogbegaafd.
Het is dan ook niet vreemd dat sommige mensen pas veel later ontdekken dat ze mogelijk hoogbegaafd zijn.
Vaak gebeurt dat via een kind of kleinkind. Tijdens een test of zoektocht naar informatie ontstaat plots herkenning: die snelle verbanden, de behoefte aan autonomie, het voortdurende denken en vragen stellen, de intensiteit waarmee een onderwerp iemand kan bezighouden... het zijn kenmerken die de volwassene ook bij zichzelf herkent.
Dat die herkenning juist binnen een familie ontstaat, is geen toeval. Intelligentie heeft een belangrijke erfelijke component en ook hoogbegaafdheid komt daardoor vaker binnen dezelfde familie voor. Wanneer een kind of kleinkind hoogbegaafd blijkt te zijn, is het dus niet zo vreemd dat ouders of grootouders zich beginnen af te vragen of diezelfde aanleg ook bij hen aanwezig is.
|
Reacties
Een reactie posten