|
We
associëren verveling gemakkelijk met een gebrek aan activiteiten. Wie
zich verveelt, heeft blijkbaar niets om handen. Maar zo eenvoudig werkt
het niet.
Ook
een kind dat omringd wordt door boeken, speelgoed, spelletjes,
knutselmateriaal en een tuin kan zich intens vervelen. Niet omdat er
letterlijk niets beschikbaar is, maar omdat niets op dat moment
voldoende aanspreekt om betrokkenheid op gang te brengen.
Bij
hoogbegaafdheid wordt verveling vaak bijna automatisch gekoppeld aan
onderprikkeling. Ook daar is nuance nodig. Onderzoek laat namelijk niet
eenduidig zien dat hoogbegaafde kinderen in het algemeen méér verveling
ervaren dan andere kinderen. In een klassieke studie bij meer dan 450
leerlingen bleken academisch sterke kinderen bijvoorbeeld niet vaker
verveeld dan hun leeftijdsgenoten. Wel zagen de onderzoekers dat hun
aanvankelijk positieve houding tegenover school kon afnemen wanneer
voldoende uitdaging ontbrak.
Andere
onderzoeken laten zien wat hoogbegaafde leerlingen precies als weinig
uitdagend ervaren: een traag tempo, veel herhaling van leerstof die ze
al beheersen, niet verder mogen gaan wanneer iets gekend is en weinig
gelegenheid krijgen om eigen interesses te onderzoeken.
Dat onderscheid is belangrijk.
Een
hoogbegaafd kind heeft dus niet noodzakelijk voortdurend méér prikkels
nodig. Het kan wel veel moeilijker betrokken raken bij iets wat
voorspelbaar, repetitief, te eenvoudig of betekenisloos aanvoelt.
En dat kan ook tijdens de vakantie gebeuren.
Je
kunt twintig activiteiten voorstellen en toch geen enkele vinden die
het kind werkelijk raakt. Terwijl datzelfde kind plots drie uur lang
volledig kan verdwijnen in het bouwen van een ingewikkelde constructie,
het uitzoeken hoe zwarte gaten ontstaan, het maken van een eigen
bordspel of het uitpluizen van de geschiedenis van een onderwerp waarvan
jij niet eens wist dat het bestond.
Het probleem is dan niet: er is niets te doen.
Het probleem is eerder: ik vind niets waarin mijn hoofd zich wil vastbijten.
|
Reacties
Een reactie posten